De afgelopen vier dagen waren een heus avontuur. Eén om nooit meer te vergeten, zoveel is zeker! Hoeveel honderden kilometers we bolden over de Australische wegen weet ik niet. Hoe het is om over de Australische wegen te rijden weet ik ondertussen wél. Geen oververlichte Europese autostrades, wel “beestig-bevolkte”, pikzwarte, verlaten, door bossen en bergen gaande wegen.
Woensdagavond werden we (Andrea en ik) opgehaald door onze mannelijke drivers (Jan en Philipp) op de Zwiterse Ambassade (de supermoderne tijdelijke woonplaats van ons Zwitsertje van dienst, Andrea). Onze mond viel open van verbazing toen we zagen welke moderne slee ons stond op te wachten. Een grote nieuwe 4×4 werd ons onderkomen voor de komende vier dagen.
De weg naar Melbourne verliep vlot. En dat terwijl iedereen ons zo vaak had gewaarschuwd voorzichtig te zijn voor de kangoeroes. In Canberra heerst er dezer dagen de discussie de springende diertjes te doden omdat er een overbevolking is. De wegen om en rond Canberra zijn dus druk bevolkt. Maar nee, geen overstekende diertjes voor ons! Of dat dachten we toch… .
Omdat we zo vroeg in Melbourne waren (half 3 ’s nachts) besloten we onmiddellijk door te rijden naar “Phillip Island”, het beruchte pinguïn eiland. Op de kaart leek het zo dichtbij (net zoals alles in Aussieland), in werkelijkheid was het zo’n 150 km van ons verwijderd (again, net zoals alles in Aussieland, de afstanden zijn hier enorm groot in vergelijking met ons pietluttig klein landje!). Maar we hadden tijd, dus waarom niet gaan pinguïnspotten dachten we. Op die manier zouden we vroeg in de ochtend aankomen en meteen de pinguïns kunnen zien voorbij paraderen.
Eerst kwamen we echter nog andere diertjes tegen: de beruchte kangoeroes. Vrolijk huppelden ze met z’n ongeveer twintigen rond over het wegdek. Zeer verschietachtig wanneer je ze plots, meestal te laat, in je vizier krijgt. Het waren de eerste echte wilde kangoeroes die ik hier zag. Al duurde dat niet lang, want vlak nadat we allen enthousiast rechtveerden en de oooh’s en aaah’s weerklonken moest onze chauffeur alles dichtgooien. Tevergeefs, want een roetje had beslist de straat over de steken waardoor we frontaal op hem inreden. Gelukkig was het een “middelmatig” exemplaar en was er geen spatje bloed te bespeuren op onze stoere jeep. Of het beest nog leefde zullen we nooit weten.
Aan 10 km per uur reden we voort naar de pinguïns. Alles leek er gesloten. Je moet er betalen om de parade te bewonderen en het strand is er afgesloten door een hek. In het donker namen we een kijkje. We kwamen weer kangoeroes en konijnen tegen maar geen pinguïns. Horen konden we ze wel! Omdat het nog vroeg was besloten we toen in de auto een dutje te doen. De jongens kozen voor het natte gras en kwamen later nog een verdwaalde pinguïn tegen waarna ze het arme diertje blind maakten voor het leven door de flash van hun fototoestel.
Twee uur later werden we wakker. We ontdekten dat het nog veel te lang zou duren eer de parade werkelijk begon, dus maakten we de hartverscheurende keuze naar Melbourne door te rijden. Door de ochtendspits heen haalden we het tot bij een Duits vriendinnetje van Philipp. We konden bij haar in een typisch Victoriaans huisje in een buitenwijk overnachten.
Melbourne zelf liet eerder een saaie indruk achter. Het cliché wil dat je of voor Melbourne bent, of voor Sydney. Ik kies dan toch wel voor het fantastische én levendige Sydney! Het kan natuurlijk ook aan de omstandigheden gelegen hebben. Het weer was wisselvallig, iedereen was doodop en we vonden geen “Starbucks”.
De stad geeft een zeer Europees gevoel. Heel veel oude gebouwen met daar tussen af en toe moderne staaltjes architectuur. Top of the bill is de haven. Hypermoderne gebouwen omgeven door water. Spijtig genoeg was er geen kat te bespeuren, wel een “Starbucks” so we were happy! (En nee ik drink tegenwoordig geen koffie, wel de White Hot Chocolate, mmmm… . :-))
Na een verdiende nachtrust reden we richting Torquay. Een dorpje aan zee op een uurtje rijden van Melbourne. Hier zouden we vriend twee van Philipp ontmoeten. We mochten overnachten in het beachhouse waar hij woonde. Het huis werd bewoond door een troepje jongeren die nog nooit van Mister Proper gehoord hebben. Maar geen nood want de eettafel was vervangen door een pooltafel en de muren waren mooi gedecoreerd met surfplanken. We verveelden ons dus geen seconde. De pooltafel was ours!
Dag twee was een rustig dagje. We kuierden rond in het dorpje en maakten een wandeling langs het strand. ’s Avonds maakten we tijd voor het favoriete tijdverdrijf van de gemiddelde Aussie (en inmiddels dus ook van ons :-)): bbq’en. Een lekker stukje zalm, kangoeroe, brood, groentjes samen met een glaasje wijn… het was een gezellige avond.
Op dag drie volgden we “The Great Ocean Road”. We reden tot aan de fameuze twaalf apostelen (waarvan er eigenlijk nog maar 11 recht staan…) en trotseerden er een heuse windstorm op het uitkijkplatform. Het stikte er van de toeristen, maar het was de moeite waard. Onderweg stopten we natuurlijk meerdere keren om andere steentjes in het water te bewonderen. Maar het meest spectaculair was toch wel “Bell’s Beach”. Op dat strand worden jaarlijks verscheidene surfkampioenschappen gehouden. Dat wil dus zeggen: héééééééééééél veel surfers en meters hoge golven! Ik krijg meer en meer zin het ook eens uit te proberen op ons komende tripje volgende maand.
Zondag was het dan tijd voor de aftocht. We besloten de kustroute te nemen en niet via het binnenland te rijden zoals voorheen. Een slechte keuze want we deden er bijna dubbel zo lang over. Iets na 12u ’s nachts was ik eindelijk thuis. Doodmoe van een vermoeiende rit. Want ik herhaal: rijden in Australië, vooral dan in het donker is alsof je middenin een computerspelletje zit waarbij je constant alert moet zijn en de beestjes die plots uit de berm tevoorschijn komen moet ontwijken. We zagen weer kangoeroes, koala’s, een wombat en veel konijntjes (in levendige, half-levendige en niet levendige vorm).
Ondertussen is werkweek zes van start gegaan. Mijn rapport over de Australische immigratieprocedure is op applaus onthaald. Op dit moment ben ik volop bezig met een economisch bericht over de Nieuw-Zeelandse begroting en de landenfiche. Nog goed nieuws is dat ik tot 30 mei “the place to myself” heb! Charlotte zit voor haar werk in London voor 10 dagen. Zij is dus dichterbij huis, dan ik. Al wie haar dus een bezoekje wil brengen, of mij nu ik hier toch een extra bed heb, laat maar iets weten.
Cheers! -x-




